De zaak Wiels – Rechtbankblog 1

Helmin Wiels (foto: Ken Wong)

Helmin Wiels (foto: Ken Wong)

WILLEMSTAD – Drie dingen maakten indruk op de eerste procesdag in de zaak Magnus.

De zware spanning in de rechtszaal in het halve uur voor de rechtszaak begint. De verdachten zitten er al. De rechtszaal is nagenoeg vol, maar er heerst stilte. Het is wachten op het Gerecht. Wie wat te vertellen heeft aan een buurman, doet het fluisterend. Alleen buiten klinkt even een luide stem. Het is de vrouw van een broer van Helmin die een aanvaring heeft met Marvelyne, de zus.

Een beklaagde zit met het hoofd op de borst, een andere kijkt achterom en zoekt naar iemand op de publieke tribune. Eentje bestudeert de ouderwetse kroonluchters aan het plafond. Geen berouw of reflectie.

Aan iedere kant van de zaal staan zwaar bewapende, geheel in zwart geklede agenten met kogelvrije vesten en bivakmutsen die enkel de ogen vrijlaten. Op hun borst staat met grote witte letters POLITIE. Eentje heeft een Nederlands vlaggetje bij de schouder op zijn mouw geborduurd. Op zijn rug staat in een kleinere letter: arrestatieteam van de Marechaussee. Een tweede heeft een insigne op de mouw van de Arubaanse politie. De anderen zijn totaal anoniem. De beveiliging is robuust, de sfeer is om te snijden. Misdaadverslaggever John van den Heuvel heeft het over het loodzware negatieve karma van de beklaagden.

Een smalle foto in bruine kleuren van koning Willem-Alexander hangt boven de deur waar de rechter straks naar binnenkomt. De rust is elektrisch en verhult de spanning. Een verdachte wil naar het toilet. De ketting waar zijn benen mee zijn geboeid, rinkelen als in een Amerikaanse gevangenisfilm. Zijn advocate gaat met hem mee, twee van de agenten brengen hem naar buiten.

De pers krijgt de regels uitgelegd in het Nederlands, daarna het publiek, in het Papiaments.

De journalisten beginnen het op hun zenuwen te krijgen en beginnen nu ook gesprekken te voeren met collega’s die verderop zitten. Dat kan niet meer fluisterend.

Een minuut later verschijnt het gerecht. Iedereen staat op. De spanning breekt op in woorden van rechter Constantijn van Dam van Isselt. Hij leest de aanklacht voor.

De vier de verdachten worden beschuldigd van moord of betrokkenheid bij de aanslag op Helmin Wiels.

Elvin (‘Monster’) Kuwas is de hoofdverdachte, de schutter en, volgens de aanklacht, ook nog moordenaar van twee anderen.,

Dangelo Damascus en Carlos Pieter worden beticht van medeplichtigheid. Ze waren behulpzaam met masker, kleding, valse nummerborden, handschoenen, wapens.

Burney (‘Nini’) Fonseca wordt toegedicht de uitlokker te zijn door het geven van de opdracht tot de aanslag, of de instructies of door geld betaald te hebben.

De Nederlanders valt het – geloof ik – niet op, maar mij wel: het proces wordt niet gevoerd in de moedertaal van de verdachten. Om de haverklap zijn er kleine, op het oog onbeduidende taalmisverstandjes die bewijzen dat hier mensen moeten communiceren in een andere taal dan de hunne. Een verdachte heeft het over een vlot, zijn raadsvrouw meent dat hij een brug bedoeld, uiteindelijk blijkt hij het over een steiger te hebben.

De dialoog tussen rechter, verdediging en beklaagden zit vol met dat soort taalincidentjes. Een journalist beklaagt zich op Facebook over de gebrekkige vertaling door de gerechtstolk en krijgt direct honderden ‘likes’ op Facebook. Arme tolk. Ik geef het je te doen om urenlang alle taaie tekst, van alle partijen in hapklare brokken te moeten vertalen. Soms verliest ze de draad, dan weer vat ze samen waar wat meer precisie beter zou zijn, dan weer vergeet de officier, de rechter of een advocaat dat er tussendoor nog vertaald moet worden en moet ze hollend op zoek naar achtergebleven Papiamentse woorden. Hier klopt iets niet.

Tot het begin van de vorige eeuw hebben Nederlandstalige Belgen moeten vechten voor onderwijs in hun eigen taal, voor officieren die aan Vlaamse soldaten bevelen konden verstrekken in hun moedertaal en voor Nederlandstalige rechters in de tribunalen. Die taalstrijd zit in het Vlaamse DNA. Vind ik het daarom vreselijk dat die mannen uit de onderste laag van de Curaçaose samenleving met taal gestrikt worden, zelfs al gaat het om het ergste krapuul dat god heeft geschapen?

De rechter rafelt in de voormiddag het complexe dossier met grote voorzichtigheid uit. Behoedzaam en met engelengeduld benadert hij de officier, de raadslieden, de verdachten. Hij spreekt ferm, maar zonder stemverheffing, Hij geeft volstrekt het gevoel dat we hier aan een eerlijk proces begonnen te zijn. Hij maakt zijn zorg over de correcte gang van zaken duidelijk. De beklaagden wijst hij met grote regelmaat op hun zwijgrecht maar hij maant ze ook aan goed te blijven opletten.

In de namiddag blaast Kuwas de zaak op: hij trekt al zijn eerdere bekentenissen en verklaringen in. In vogelvlucht:

Monster: “Wat hier nu wordt verteld, is niet de waarheid. Er is me een deal aangeboden en daarna is er druk op me uitgeoefend. Daarom heb ik dingen op papier gezet.”

Rechter: “Wat wil u dan wel zeggen over 5 mei?”

Monster: “Niets. U zet zelf het proces in elkaar!”

Rechter: “Hoe zit het dan met uw verhaal over de opdrachtgevers?”

Monster: “Heb ik ook verzonnen. Op Curaçao hoor je zoveel, je gaat zelf een versie maken.”

Dat belooft voor morgen.